
Na ruim anderhalve week te hebben geworsteld met bij- en voorhoofdsholtes vol met prut en de bijbehorende koppijn, vandaag de draad weer opgepakt. En dat voelde best goed. Eerst het laatstgeschrevene doorgelezen en nog wat wijzigingen aangebracht en daarna nog een sub-hoofdstuk geschreven.
Ik heb wel besloten, in weerwil van de adviezen die schrijfgoeroe Stephen King in zijn geweldige semi-autobiografie-slash-schrijfhandleiding On Writing, om de belangrijke tip om vooral NIET te plotten deels in de wind te gaan slaan. Kings stelling is dat een vooropgezette plot de creativiteit en originaliteit in de weg gaat staan, omdat je moet voldoen aan vastgestelde verhaallijnen.
Dat is allemaal leuk en aardig als je het verhaal vertelt over een meisje dat met behulp van haar telekinetische gaven wraak neemt op haar klasgenootjes (laat je fantasie dan maar de vrije loop, ja) of een boek schrijft over een auto uit de hel (alles kan). Maar bij een thriller, die zich afspeelt in een stevig bestaand landschap, merk ik dat pure duimzuigerij on-the-fly voor mij niet werkt. Ik kan wel leuk een eind weg schrijven, maar je moet toch ook rekening houden met het doseren van spanning, je wilt een soort mysterie bewaren en alles in de eerste hoofdstukken verraden. en het moet nog kĂșnnen, in ieder geval op het eerste gezicht.
Dus ben ik ook bezig een deel van de verhaallijn uit mijn hoofd en op de harde schijf te kwakken.
Death becomes them
In mijn vorige update had ik al gemeld dat ik inmiddels de eerste doden had laten vallen. En dat valt nog niet mee, moet ik zeggen. Ik dacht dat ik na die duizenden films en boeken, waarin toch echt hele volksstammen op niet al te zachtzinnige wijze het tijdelijke met het eeuwige verwisselen, toch wel enigszins gehard zou zijn. Maar het blijkt toch echt iets heel anders om te lezen over of te kijken naar fictieve moorden, dan ze zelf te plegen op de digitale bladzijde. Toegegeven, de gehanteerde methode in mijn boek is pittiger dan een kop warme chocomel die naar bittere amandelen ruikt, maar desondanks merk ik dat ik een ferm schuldgevoel heb naar de even fictieve slachtoffers. Een geheel onverwachte ervaring, moet ik zeggen.
Een toch wat leuker deel is het bedenken van namen. Die van mijn protagonistette had ik al, maar de andere types die mijn verhaal bevolken moeten natuurlijk ook voorzien worden van andere labels dan 'die ene' en 'die andere'. Het grappige is dat je, zodra je het denken in termen als 'slachtoffer 1' verlaat en slachtoffer 1 e.v. namen geeft, ze ineens al beginnen te ademen (waar ze vervolgens ook weer mee ophouden. Dank je wel, wrede 'auteur') en een gezicht krijgen.
Een achtbaan vol emoties, dus.
Ik heb wel besloten, in weerwil van de adviezen die schrijfgoeroe Stephen King in zijn geweldige semi-autobiografie-slash-schrijfhandleiding On Writing, om de belangrijke tip om vooral NIET te plotten deels in de wind te gaan slaan. Kings stelling is dat een vooropgezette plot de creativiteit en originaliteit in de weg gaat staan, omdat je moet voldoen aan vastgestelde verhaallijnen.
Dat is allemaal leuk en aardig als je het verhaal vertelt over een meisje dat met behulp van haar telekinetische gaven wraak neemt op haar klasgenootjes (laat je fantasie dan maar de vrije loop, ja) of een boek schrijft over een auto uit de hel (alles kan). Maar bij een thriller, die zich afspeelt in een stevig bestaand landschap, merk ik dat pure duimzuigerij on-the-fly voor mij niet werkt. Ik kan wel leuk een eind weg schrijven, maar je moet toch ook rekening houden met het doseren van spanning, je wilt een soort mysterie bewaren en alles in de eerste hoofdstukken verraden. en het moet nog kĂșnnen, in ieder geval op het eerste gezicht.
Dus ben ik ook bezig een deel van de verhaallijn uit mijn hoofd en op de harde schijf te kwakken.
Death becomes them
In mijn vorige update had ik al gemeld dat ik inmiddels de eerste doden had laten vallen. En dat valt nog niet mee, moet ik zeggen. Ik dacht dat ik na die duizenden films en boeken, waarin toch echt hele volksstammen op niet al te zachtzinnige wijze het tijdelijke met het eeuwige verwisselen, toch wel enigszins gehard zou zijn. Maar het blijkt toch echt iets heel anders om te lezen over of te kijken naar fictieve moorden, dan ze zelf te plegen op de digitale bladzijde. Toegegeven, de gehanteerde methode in mijn boek is pittiger dan een kop warme chocomel die naar bittere amandelen ruikt, maar desondanks merk ik dat ik een ferm schuldgevoel heb naar de even fictieve slachtoffers. Een geheel onverwachte ervaring, moet ik zeggen.
Een toch wat leuker deel is het bedenken van namen. Die van mijn protagonistette had ik al, maar de andere types die mijn verhaal bevolken moeten natuurlijk ook voorzien worden van andere labels dan 'die ene' en 'die andere'. Het grappige is dat je, zodra je het denken in termen als 'slachtoffer 1' verlaat en slachtoffer 1 e.v. namen geeft, ze ineens al beginnen te ademen (waar ze vervolgens ook weer mee ophouden. Dank je wel, wrede 'auteur') en een gezicht krijgen.
Een achtbaan vol emoties, dus.

0 reacties:
Een reactie plaatsen